Verloop van de plechtigheid

Een beschrijving van de uitgangspunten voor een goed verloop van de plechtigheid.

Oppositie

Uitgangspunt voor een goed verloop van de plechtigheid binnen de daartoe gestelde tijd is dat het hier gaat om een wetenschappelijk debat over de inhoud van het ter tafel liggende proefschrift. De promovendus dient derhalve voldoende in de gelegenheid te worden gesteld om in debat te treden met een opponent. Ook is het van belang dat zo veel mogelijk leden van de oppositiecommissie de gelegenheid krijgen om met de promovendus van gedachten te wisselen over de inhoud van het proefschrift.

Dit houdt in dat:

  • de oppositie niet vooraf wordt gegaan door uitgebreide woorden van waardering voor de totstandkoming van het proefschrift dan wel door een samenvatting van (een deel van) het proefschrift, maar zich zo snel mogelijk richt op de vraag die aan de promovendus gesteld wordt
  • de oppositie bondig is, er niet voorgelezen wordt en, naast een zo kort mogelijke inleiding, een duidelijke vraagstelling bevat
  • de oppositie beperkt blijft tot het stellen van één vraag, tenzij de (fungerend) rector - desgevraagd - een tweede vraag toestaat

Verder is het een goed gebruik dat:
 
  • de oppositie en de daarop volgende verdediging in het Nederlands geschiedt, tenzij de promovendus deze taal niet beheerst; bij aanwezigheid van een niet-Nederlands sprekende in de commissie kan deze opponeren in een andere taal
  • de formule van bevordering tot het doctoraat in ieder geval in het Nederlands wordt uitgesproken
  • leden van de oppositiecommissie die niet uit Leiden afkomstig zijn, als eersten opponeren en wat ruimer de tijd krijgen voor het voeren van oppositie dan opponenten uit de eigen faculteit c.q. universiteit
  • een opgave van de opponenten t.b.v. de (fungerend) rector en de secretaris van de commissie ter zitting beschikbaar is, waarbij met name van de leden van de commissie die niet uit Leiden afkomstig zijn, staat vermeld waar zij werkzaam zijn; in deze opgave wordt tevens aangegeven wie de laudatio uitspreekt

Tijdens de promotieplechtigheid worden de volgende aanspreekvormen gebruikt:

kandidaat mijnheer/mevrouw de kandidaat
(fungerend) Rector mijnheer/mevrouw de Rector Magnificus
promotor hooggeschatte promotor
co-promotor zeergeleerde opponens
lid van de commissie, zijnde hoogleraar hooggeleerde opponens
lid van de commissie geen hoogleraar  
wel gepromoveerd zeergeleerde opponens
niet gepromoveerd weledelgeleerde opponens
 

Laudatio (maximaal 3 minuten)

De laudatio wordt uitgesproken door de promotor of door de copromotor. In geval dat ook een niet-Leids hoogleraar als promotor is aangewezen ligt het voor de hand dat deze de laudatio uitspreekt, gelet op de bepaling dat het uitspreken van de formule van bevordering tot het doctoraat is voorbehouden aan de Leidse promotor.

In de laudatio wordt een oordeel gegeven over het proefschrift en desgewenst over de wetenschappelijke kwaliteiten van de gepromoveerde. Een enkel persoonlijk woord kan daaraan worden toegevoegd. Meer persoonlijk getinte aspecten dienen in het algemeen bij een andere gelegenheid te worden uitgesproken. Het laudatio mag niet langer dan 3 minuten duren. Als de (fungerend) rector van oordeel is dat de tijd voor de duur van de laudatio overschreden dreigt te worden, zal deze - zo nodig door het uitspreken van de protocollaire felicitatie van de universiteit - aangeven dat de tijd beschikbaar voor de laudatio is verstreken.

Laatst Gewijzigd: 22-02-2011